We can't find the internet
Attempting to reconnect
Something went wrong!
Hang in there while we get back on track
DOSP-VHR-002101 | Genderspecifieke preventie en (na)zorg bij cliënten met een dubbeldiagnose (middelenafhankelijkheid en eetstoornissen)
Details
- Business Unit
- DOSP-HGT
- Kennisgroep
- Substance use and Psychosocial Risk Behaviours
- Beschrijving (Original)
-
Vanuit het Onderzoekscentrum Substance Use and Psychosocial Risk Behaviours (SUPRB) richt het GENDRES-project zich op de ondersteuning en behandeling van personen met problematisch middelengebruik én kenmerken van een eetstoornis. Bij een mogelijke dubbeldiagnose bestaat het risico dat drughulpverlening verstoord eetgedrag triggert, terwijl in eetstoorniszorg de kans bestaat dat cliënten tijdens het hulptraject problematisch middelengebruik ontwikkelen.
Het project onderzoekt hoe beide stoornissen zich tot elkaar verhouden, hoe ze elkaar beïnvloeden en welke impact deze comorbiditeit heeft op de hulpverlening. Er wordt daarbij expliciet ingezoomd op beschermende en risicofactoren. Het doel is om beide zorgsettings te ondersteunen met een praktische tool: een informatieve klapper die samenwerking op een meer integratieve manier bevordert.
Literatuurstudie: Prevalentie, kenmerken en onderliggende factoren
Op basis van literatuur werd een overzicht opgesteld van de prevalentie van beide stoornissen en hun comorbiditeit. Er werd stilgestaan bij diagnostische criteria en symptomen, met bijzondere aandacht voor onderliggende kenmerken zoals identiteitsontwikkeling, emotieregulatie en lichaamsbeeld.
Daarnaast werden relevante beschermende vaardigheden besproken, zoals interoceptief bewustzijn, intuïtief eten, en ondersteunende programma’s rond zelfzorg, waaronder self-support en self-compassion.
Onderzoeksopzet: Kwantitatieve en kwalitatieve benadering
Het GENDRES-project omvat zowel een kwantitatief als een kwalitatief luik. De kwantitatieve data werden verzameld via een zelfontwikkelde vragenlijst die werd afgenomen bij 100 cliënten uit de drughulpverlening. De vragenlijst integreerde (sub)schalen uit bestaande meetinstrumenten.
In het kwalitatieve luik werden 20 respondenten uit de klinische groep geïnterviewd via een semigestructureerd interview. De voorbereiding en analyse van de data werd ondersteund door collega’s van het Centre for Applied Data Science (CADS).
Resultaten: Risico’s en signalen van comorbiditeit
De resultaten tonen aan dat 46% van de respondenten die in behandeling zijn voor problematisch middelengebruik, ook risico vertonen op één of meerdere symptomen van een eetstoornis zoals gedefinieerd in de EDI-III. Zo scoort 38% hoog op het item ‘najagen van dunheid’, vertoont 15% kenmerken van boulimia, en rapporteert 30% ontevredenheid over het lichaam. Daarnaast toont 54% van deze groep neiging tot perfectionisme.
Opvallend is dat ook in de gezonde referentiegroep 35% een verhoogd risico op eetstoornissen vertoont, terwijl 30% kenmerken van perfectionisme rapporteert. Uit de praktijk en literatuur blijkt dat perfectionisme en inschikkelijkheid belangrijke risicofactoren zijn voor de ontwikkeling van eetstoornissen.
Een opvallend inzicht is dat de EDI-II vooral stereotype eetstoornisbeelden in kaart brengt, met een sterke focus op typisch vrouwelijke lichaamskenmerken. Hierdoor voelen personen met een andere genderidentiteit zich vaak niet aangesproken door de vragenlijst. Ook de mentale aspecten van eetstoornissen worden onvoldoende bevraagd.
Ervaringen uit de interviews: omgaan met kwetsbaarheid
Uit de interviews blijkt dat veel respondenten moeilijkheden ervaren in het omgaan met uitdagende situaties. Gebrek aan emotieregulatie leidt vaak tot vluchtgedrag in middelengebruik of verstoord eetgedrag. Sommigen startten met druggebruik vanuit rebellie of vervreemding van de samenleving, anderen uit nieuwsgierigheid of experimenteerdrang die uit de hand liep.
Respondenten benadrukken het belang van praktische tools om met moeilijke situaties om te gaan, duidelijke begeleiding, een gelijkwaardige relatie met hulpverleners, en waardering voor lotgenoten en ervaringsdeskundigheid.
Aanbevelingen: herstelgericht werken met aandacht voor zelfcompassie
Voor hulpverleners is het van belang om middelengebruik en eetstoornissen te begrijpen als mogelijke copingmechanismen. Effectieve hulpverlening richt zich dan ook best op verschillende belevingsaspecten, met ruimte voor herstel op maat van de hulpvrager.
Binnen dit onderzoek komt zelfcompassie duidelijk naar voren als een belangrijke beschermende factor. Respondenten met een hoge mate van zelfcompassie vertonen significant minder risico op het ontwikkelen van een eetstoornis. Mildheid voor zichzelf, het aanvaarden van imperfectie en het erkennen dat problemen deel uitmaken van het mens-zijn, blijken cruciaal in het voorkomen van herval of bijkomende problematiek.
- Beschrijving (Enhanced)
- Het GENDRES-project onderzoekt dubbeldiagnoses van middelengebruik en eetstoornissen. Het doel is om zorgsettings te ondersteunen met een tool voor integratieve samenwerking. Resultaten tonen risico's, zoals perfectionisme, en benadrukken zelfcompassie als beschermende factor.
- Beschrijving (Cleaned)
-
Vanuit het Onderzoekscentrum Substance Use and Psychosocial Risk Behaviours (SUPRB) richt het GENDRES-project zich op de ondersteuning en behandeling van personen met problematisch middelengebruik én kenmerken van een eetstoornis. Bij een mogelijke dubbeldiagnose bestaat het risico dat drughulpverlening verstoord eetgedrag triggert, terwijl in eetstoorniszorg de kans bestaat dat cliënten tijdens het hulptraject problematisch middelengebruik ontwikkelen.
Het project onderzoekt hoe beide stoornissen zich tot elkaar verhouden, hoe ze elkaar beïnvloeden en welke impact deze comorbiditeit heeft op de hulpverlening. Er wordt daarbij expliciet ingezoomd op beschermende en risicofactoren. Het doel is om beide zorgsettings te ondersteunen met een praktische tool: een informatieve klapper die samenwerking op een meer integratieve manier bevordert.
Literatuurstudie: Prevalentie, kenmerken en onderliggende factoren
Op basis van literatuur werd een overzicht opgesteld van de prevalentie van beide stoornissen en hun comorbiditeit. Er werd stilgestaan bij diagnostische criteria en symptomen, met bijzondere aandacht voor onderliggende kenmerken zoals identiteitsontwikkeling, emotieregulatie en lichaamsbeeld.
Daarnaast werden relevante beschermende vaardigheden besproken, zoals interoceptief bewustzijn, intuïtief eten, en ondersteunende programma’s rond zelfzorg, waaronder self-support en self-compassion.
Onderzoeksopzet: Kwantitatieve en kwalitatieve benadering
Het GENDRES-project omvat zowel een kwantitatief als een kwalitatief luik. De kwantitatieve data werden verzameld via een zelfontwikkelde vragenlijst die werd afgenomen bij 100 cliënten uit de drughulpverlening. De vragenlijst integreerde (sub)schalen uit bestaande meetinstrumenten.
In het kwalitatieve luik werden 20 respondenten uit de klinische groep geïnterviewd via een semigestructureerd interview. De voorbereiding en analyse van de data werd ondersteund door collega’s van het Centre for Applied Data Science (CADS).
Resultaten: Risico’s en signalen van comorbiditeit
De resultaten tonen aan dat 46% van de respondenten die in behandeling zijn voor problematisch middelengebruik, ook risico vertonen op één of meerdere symptomen van een eetstoornis zoals gedefinieerd in de EDI-III. Zo scoort 38% hoog op het item ‘najagen van dunheid’, vertoont 15% kenmerken van boulimia, en rapporteert 30% ontevredenheid over het lichaam. Daarnaast toont 54% van deze groep neiging tot perfectionisme.
Opvallend is dat ook in de gezonde referentiegroep 35% een verhoogd risico op eetstoornissen vertoont, terwijl 30% kenmerken van perfectionisme rapporteert. Uit de praktijk en literatuur blijkt dat perfectionisme en inschikkelijkheid belangrijke risicofactoren zijn voor de ontwikkeling van eetstoornissen.
Een opvallend inzicht is dat de EDI-II vooral stereotype eetstoornisbeelden in kaart brengt, met een sterke focus op typisch vrouwelijke lichaamskenmerken. Hierdoor voelen personen met een andere genderidentiteit zich vaak niet aangesproken door de vragenlijst. Ook de mentale aspecten van eetstoornissen worden onvoldoende bevraagd.
Ervaringen uit de interviews: omgaan met kwetsbaarheid
Uit de interviews blijkt dat veel respondenten moeilijkheden ervaren in het omgaan met uitdagende situaties. Gebrek aan emotieregulatie leidt vaak tot vluchtgedrag in middelengebruik of verstoord eetgedrag. Sommigen startten met druggebruik vanuit rebellie of vervreemding van de samenleving, anderen uit nieuwsgierigheid of experimenteerdrang die uit de hand liep.
Respondenten benadrukken het belang van praktische tools om met moeilijke situaties om te gaan, duidelijke begeleiding, een gelijkwaardige relatie met hulpverleners, en waardering voor lotgenoten en ervaringsdeskundigheid.
Aanbevelingen: herstelgericht werken met aandacht voor zelfcompassie
Voor hulpverleners is het van belang om middelengebruik en eetstoornissen te begrijpen als mogelijke copingmechanismen. Effectieve hulpverlening richt zich dan ook best op verschillende belevingsaspecten, met ruimte voor herstel op maat van de hulpvrager.
Binnen dit onderzoek komt zelfcompassie duidelijk naar voren als een belangrijke beschermende factor. Respondenten met een hoge mate van zelfcompassie vertonen significant minder risico op het ontwikkelen van een eetstoornis. Mildheid voor zichzelf, het aanvaarden van imperfectie en het erkennen dat problemen deel uitmaken van het mens-zijn, blijken cruciaal in het voorkomen van herval of bijkomende problematiek.
- Resultaatsbeschrijving
- Resultaatsbeschrijving (Cleaned)
- Start Datum
- 21-09-2020
- Eind Datum
- 21-09-2023
- Verification Status
- Not verified